ONTWERPSCHOLEN aan het woord (6): Academie van Bouwkunst Amsterdam

Opleidingshoofden Arjan Klok en Maike van Stiphout: ‘Land- schapsarchitecten, stedenbouwers en architecten worden op de academie vrienden’

 

Arjan Klok: ‘Onze studenten hebben vaak al een opleiding voltooid: ze zijn kunstenaar, planoloog, waterexpert, volkshuisvester, noem maar op. Wij maken er in vier jaar ruimtelijk ontwerpers van – ontwerpers die niet alleen in ontwerpopgaven maar ook in het algemene vakdebat een positie durven in te nemen. Dat vraagt een persoonlijke, soms zelfs intuïtieve manier van werken. Op de academie draait het niet alleen om de bewijslast achter een plan, maar ook om de persoonlijke fascinaties van de maker – en hoe die met zijn of haar voorstel een standpunt inneemt. Onze docenten zijn coaches die studenten begeleiden in het vinden van die fascinaties, in het vaststellen van de eigen positie.

Ondanks het persoonlijke karakter van de opleiding zijn we nieuwsgierig naar welke rol onderzoek speelt in het ontwerpproces. Uiteindelijk willen we studenten bijbrengen dat het en-en is: je neemt positie, maar dat standpunt moet je wel beargumenteren en daarvoor is een onderzoekende houding onmisbaar.

Tekst: Mark Hendriks


Als hoofd van de masteropleiding Stedenbouw leg ik een aantal accenten die betrekking hebben op de veranderende praktijk van de stedenbouwkundige. Er is meer aandacht voor de rol van de ontwerper: versta je de opdrachtgever, ben je in staat specifieke waarden binnen een vraagstuk scherp te formuleren, overzie je de maatschappelijke en politieke consequenties?’

Maike van Stiphout: ‘Tijdens hun studie werken de drie disciplines binnen de academie (naast landschapsarchitectuur en stedenbouw architectuur, red.) voor meer dan de helft van de tijd samen – in colleges, tijdens een winterworkshop, in ontwerpstudio’s. Dat geeft ontwerpers een brede blik en maakt het vanzelfsprekend dat ze na hun studie andere disciplines opzoeken. Sterker nog, landschapsarchitecten, stedenbouwers en architecten worden op de academie vrienden en richten samen collectieven of bureaus op.

De opleidingen drijven op de actualiteit. Natuurlijk omdat studenten naast hun studie werken, maar ook door de inbreng van vele gastdocenten die precies weten wat er buiten de muren van de academie leeft. We betrekken opdrachtgevers – onlangs nog de gemeente Zaanstad en Staatsbosbeheer – zodat studenten aan bestaande vraagstukken werken. Ook leren we ze om zelf opgaven te formuleren en daar vervolgens opdrachtgevers voor te zoeken.

In mijn periode als hoofd vraag ik aandacht voor het vergroten van de biodiversiteit. Daarnaast wil ik het internationale profiel promoten. De academie is tweetalig en dus geschikt voor studenten van over de hele wereld. Nederlandse landschapsarchitectuurstudenten kunnen via een uitwisselingsprogramma met vijf Europese scholen, een Master in European Landscape Architecture halen.’