Column: Minecraften op Tiengemeten

Door: Christiaan Weijts

 

Een paar dagen nadat ik met mijn zevenjarige zoon de wereld van Minecraft ontdekte, brachten we een weekend door op Tiengemeten, het eilandje in de Haringvliet. Het is een surreële gewaarwording: die nieuwe wildernis, die hier voor de landbouwgrond in de plaats is gekomen, is precies die van de Minecraft-beginner. Woest en ledig, met hier een daar wat water, wat grazers, wat wilde paarden, en zelfs de huisjes die het computerspel random zijn neerzet lijken sprekend op de vervallen schaftketen die hier soms midden in het poldergroen opduiken.

 

Alleen is op dit eiland het proces andersom: in plaats van de aarde te bebouwen en te ontginnen, is hier de vroegere landbouw verdwenen. Zo dicht bij de Randstad en toch een echt Terschelling-gevoel zodra je de oversteek met het pontje hebt gemaakt.

Mijn zoon wist precies wat ons te doen stond. ‘Eerst een huis bouwen en vuur leren maken, om ons te beschermen tegen creepers en zombies. Dan een moestuin aanleggen om voedsel te verbouwen.’

 

Wij leerden het nog met lego, maar alle architecten, stedenbouwkundigen en landschapsontwerpers van de volgende generatie zullen zijn begonnen met Minecraft. Grootste verschil: de werelden die je er bouwt zijn integrale ecosystemen, met grondstoffentoevoer, moestuinen … En het gaat allemaal zo soepel, zo gemakkelijk, zeker nadat we ontdekten dat er een ‘creatieve modus’ bestond, waarin je onbeperkt grondstoffen had en al even onbeperkte levensenergie. Klik, klik, klik, daar staat een huis. Ting, ting … spoorweg aangelegd.

 

De overgang van de ‘survival’-modus naar deze zorgeloze bouwspeeltuin deed me denken aan de wereld die Jeremy Rifkin beschrijft als de ‘derde industriële revolutie’: elk gebouw is een eigen energiecentrale, alles wordt gratis, niemand werkt nog, en dankzij 3D-printers en slim hergebruik van grondstoffen is er nergens schaarste aan. Soms probeer ik me die slimme steden van de toekomst voor te stellen, met hun efficiënte metabolisme, hun slimme logistiek, hun razendsnelle dataverkeer, hun zelfdenkende vervoersmiddelen en hun volautomatische leveringen. Geruisloos en effectief gaan alle processen hun gang met een minimum aan wrijving.

 

Gaat het gebeuren? Als ik Jeremy Rifkin, Yuval Harari (‘Homo deus’) en andere denkers-met-glazen-bol lees denk ik absoluut van wel. De vraag is alleen binnen welke termijn. Het meest vreemde is nog wel dat ik totaal niet weet of ik hier nu blij mee moet zijn of juist doodsbang. Wie kan er tegen schone energie en gratis overvloed zijn? Maar zo’n efficiënt Minecraftparadijs heeft ook iets heel kils, ook zonder de zombies en de skeletten die ’s nachts komen spoken.

 

Misschien dat er daarom plekken als Tiengemeten moeten zijn, om ons eraan te herinneren hoe het is om de wind in je gezicht te voelen in de wildernis. De kinderen bouwen hun eigen vlot met balken en touwen in de speelnatuur. Bovendien blijkt het hier de ‘OERRR-Buitendag’ te zijn, wat betekent dat ze moddervegen op hun gezicht krijgen, broodjes leren bakken, vuur maken met vuurstenen en de weg leren vinden met een kompas.

Al ben ik ’s avonds opgetogen als ik ontdek dat onze herberg snel en gratis wifi heeft.

 

‘Yes, dan kan ik hier Minecraften!’ roept mijn zoon.

‘Zeker niet! Je hebt de hele dag buiten kunnen spelen. Dat is toch veel leuker?’

‘Dat is waar. Het buitenspelen is hier eigenlijk Minecraften in het echt.’

 

Deze column verscheen eerder in ons juninummer.