‘We hebben echt wat te verliezen’

De eenzijdige en technische aanpak van de versterkingsopgave heeft desastreuze gevolgen voor het aanzien van de Groningse dorpen. Onderweg van Woltersum naar Ten Post vertellen lokale experts Francien van Soest en Dianne Maas-Flim hoe het ook anders kan. 'Het palet aan mogelijkheden is veel rijker dan wat bewoners nu voorgeschoteld krijgen.'

 

Tekst Mark Hendriks

Foto's Marieke Kijk in de Vegte

 

Op de wierde van Woltersum, in het hart van het Groningse aardbevingsgebied, hoeft niemand lang na te denken over wat ruimtelijke kwaliteit is. De parochiekerk uit 1765 torent trots boven de buurtschap uit. Rondom staan talloze woninkjes, uitgevoerd in rode baksteen, met lage goten en kleine kappen. Hiertussen liggen tuinen, stegen, veldjes en boomgaarden. Soms is er zicht op het landschap buiten de wierde: in deze tijd van het jaar weldadig groen, met de geur van vers gemaaid gras. De voorjaarswind doet de hoge bomen ruisen.

We kunnen niet anders dan vaststellen dat het hier aangenaam en ontspannen wonen is. Onze gidsen Francien van Soest en Dianne Maas-Flim voegen toe dat de gemeenschap hecht is, zelfredzaam ook. Ze wijzen naar de gele keet aan de rand van het dorp, waar bewoners eieren kopen en bibliotheekboeken lenen. Binnen hangt een aanplakbiljet over de oprichting van een energiecoöperatie.

 

Wie op een zonnige middag in mei door Woltersum loopt zal denken dat het hier nooit meer verandert. Maar de werkelijkheid is minder florissant. Op de wierde staan heel wat gebouwen op de nominatie voor sloop. Door aardbevingsschade zijn ze niet meer te redden en worden ze op termijn vervangen voor nieuwbouw. En daar zit het gevaar: als het gaat zoals het tot nu in andere dorpen gebeurt, waarschuwen Maas-Flim en Van Soest, zijn de gevolgen voor de Woltersumse karakteristieken en leefbaarheid niet te overzien. De dames weten waarover ze praten. Provinciaal adviseur Van Soest probeert de ruimtelijke kwaliteit al jaren hoog op de agenda te krijgen. Niet alleen in het versterkingsdossier, maar ook bij andere vraagstukken, zoals de energietransitie. Ze ziet met lede ogen aan hoe aannemers met cataloguswoningen de ziel uit dorpen haalt. ‘De Groningse dorpen zijn bepalend voor de hoge landschapskwaliteit. Maar die is door versterkings- en nieuwbouwprojecten – die vooral gaan om techniek en veiligheid – onder druk komen te staan.’

 

Enorme druk

Architect Maas-Flim werkt sinds 2021 als ‘bouwmeester versterking’ voor de gemeente Groningen. Vanuit die rol probeert ze onder meer door ontwerpend onderzoek de versterkingsopgave – zowel de renovatie als de sloop-nieuwbouw – van een kwaliteitsimpuls te voorzien. In een opiniestuk in de Volkskrant bekritiseerde ze onlangs het huidige systeem van sloop en nieuwbouw. ‘Aannemers hebben het voor het zeggen’, licht ze haar kritiek toe terwijl we kijken naar een houten stutbalk die een monumentale gevel overeind houdt. ‘Of laat ik het anders zeggen: het terugbouwen van woningen is nooit als een ontwerpopgave beschouwd, waardoor in het gehele plan- en bouwproces geen plek is ingeruimd voor ontwerp en architectuur.’ Van Soest knikt: ‘Dat heeft te maken met de enorme druk op dit vraagstuk. Mensen zitten jaren in onzekerheid. Om hen snel een veilig thuis te bieden is een zo efficiënt mogelijke systematiek opgetuigd. Maar daarin ontbreken dus wezenlijke onderdelen.’

 

Maas-Flim wijst naar het huis voor ons. ‘De eigenaar wilde de nieuwbouw aangrijpen om te verduurzamen en van het gas af te gaan. Vanwege het beperkte budget overwoog hij een standaard woning uit de catalogus die niet bepaald bij de karakteristieken van deze plek past. Vanuit mijn bouwmeesterschap is toen geld vrijgemaakt om alternatieven op tafel te krijgen die binnen het budget passen én bij de ruimtelijke en cultuurhistorische kenmerken van het dorp.’ Na een moment: ‘Dat is gelukt en inmiddels heeft een architect samen met de bewoner een nieuw ontwerp gemaakt.’

 

Zijlijn verlaten

Het is in een notendop wat Maas-Flim vanuit haar positie het liefste doet: door ontwerp en ontwerpend onderzoek een breder beeld schetsen van hoe het anders kan, om mensen te helpen de juiste keuzes te maken. ‘Het is hoog tijd dat ontwerpers de zijlijn verlaten. Enerzijds door met realistische ontwerpen te komen, anderzijds door ongebaande paden te bewandelen. Bijvoorbeeld door met frisse ideeën te komen voor de vormgeving van de vele tijdelijke buurtjes die in het landschap verrijzen, of over hoe we koppelingen leggen met andere opgaven. Of door na te denken over wat er moet gebeuren op plekken die vrijkomen.’

 

Zoals in het geval van het fraaie bakstenen schoolgebouw dat binnenkort tegen de vlakte gaat – de school zelf verhuist naar een nieuw onderkomen aan de rand van Woltersum. ‘Dit is een onderbelichte kant van de versterkingsoperatie’, begint Maas-Flim. ‘Door schade verhuizen functies naar andere plekken. Daar is dan alle aandacht voor, terwijl we we onvoldoende nadenken over wat er op die plekken, die vaak een sleutelrol hebben, moet gebeuren. De gemeente Groningen (waar Woltersum onder valt - red.) heeft daarom voor deze plek een heel precies ontwerp laten maken. Het DNA van het gebouw vormde daarbij het uitgangspunt.’

 

Als het aan Francien van Soest en Dianne Maas-Flim ligt, wordt ruimtelijke kwaliteit een volwaardig onderdeel van de Groningse versterkingsopgave. Net zoals in het programma Ruimte voor de Rivier, waarin veiligheid en kwaliteit even belangrijk waren. In haar reactie op de bevindingen van de parlementaire enquêtecommissie stelt het kabinet dat ruimtelijke kwaliteit voortaan moet worden meegenomen. Een veelbelovend voornemen, dat nog wel door de Tweede Kamer moet en vertaald moet worden naar de praktijk.

 

Bouwmeester

Over dat laatste heeft Maas-Flim wel ideeën. Reagerend op het voornemen van de Nationaal Coördinator Groningen (NCG - zie kader) om binnen haar organisatie een bouwmeester aan te stellen, zegt ze: ‘Dat moet dan wel een bureau zijn waarin alle ontwerpdisciplines vertegenwoordigd zijn. Het is de plek voor ontwerponderzoek, daar moet het overkoepelende verhaal geschreven worden. Daarmee kunnen we overal in het aardbevingsgebied de juiste vragen stellen en aannemers criteria en richtlijnen meegeven.’ Ook de suggestie van de NCG voor gemeentelijke wijkvisies ­–waarin voor elk dorp of buurt staat beschreven wat onder ruimtelijke kwaliteit verstaan wordt – onderschrijft ze. ‘Sterker nog, elk dorp moeten een dorpsbouwmeester krijgen die de overkoepelende principes vertaalt naar de lokale kenmerken en kwaliteiten, en die bovendien dicht bij de bewoners staat.’ Tot slot, en dan is haar drietrapsraket vervolmaakt, moeten architecten naast bewoners gaan staan om ze te helpen met het ontwerp van hun nieuwe huis.

 

Van Soest is het eens met de contouren die Maas schetst. Maar het gaat wel even duren voor het zover is terwijl er nu al werk aan de winkel is. ‘Ook in lopende projecten moet ruimtelijke kwaliteit voet aan de grond krijgen.’ En dat kan ook, vervolgt ze. ‘Er is zoveel kennis. Als provincie hebben we kwaliteitsgidsen, gebiedsbiografieën en er is een steunpunt.’ Dan lachend: ‘We hebben onlangs een update gemaakt van een boekje uit 1987 over dorpen in Groningen. Wat daarin staat, geldt nog steeds.’

 

Schrijnende gevallen

Als we Woltersum uitlopen, treffen we een man die op zijn oprit automatten reinigt. Hij en zijn vrouw zijn relatief goed af – ze hebben enige tijd terug op eigen initiatief hun woning op aardbevingsbestendige wijze verbouwd, waardoor nu alleen het dak vervangen hoeft te worden. Maar in het dorp ziet hij schrijnende gevallen, al hekelt hij vooral de grote verschillen in hoe mensen behandeld worden. Volgens Van Soest en Maas-Flim is dat een gevolg van het werken met zogenoemde badges, terwijl door de jaren heen de regels steeds veranderden. Als we doorlopen benadrukt de man dat veiligheid het allerbelangrijkst is. ‘Een veilig huis, daar gaat het om, en niks anders.’

 

Het werpt de vraag op of discussiëren over ruimtelijke kwaliteit gepast is als mensen verdrietig zijn, bang zelfs omdat ze zich ’s nachts niet veilig voelen. Van Soest en Maas-Flim erkennen dat het soms ingewikkeld is, ook omdat ruimtelijke kwaliteit soms abstract is, vele betekenissen heeft en de optelsom van individuele ingrepen. Het is dan ook logisch dat gedupeerde Groningers ruimtelijke kwaliteit niet hoog op hun prioriteitenlijstje hebben staan.

 

‘Maar’, begint Maas-Flim, ‘uiteindelijk horen ruimtelijke kwaliteit en ontwerp gewoon bij een bouwproces. Door het onderdeel te maken van de opgave krijgen wij als professionals de ruimte om te laten zien dat veiligheid en kwaliteit niet strijdig zijn.’ Ze herinnert zich een gesprek over de terugbouw van marginale cataloguswoningen, waarvan de aannemer zei: dit is wat de mensen nu eenmaal hebben gekozen. ‘Mijn antwoord was: ja, omdat jij ze alleen systeem A of B hebt laten zien. Het palet aan mogelijkheden is veel rijker dan wat bewoners nu voorgeschoteld krijgen.’ Ze vervolgt: ‘Ruimtelijke kwaliteit is geen particuliere discussie over mooi of lelijk. Het is aan ons om een gemeenschappelijk verhaal op tafel te leggen over wat we in Woltersum, Ten Post of waar dan ook willen. Ik bedoel: het is hier prachtig, we hebben echt wat te verliezen.’

 

Texas van Groningen

De man met de automatten liet zich nog ontvallen dat hij met een dubbel gevoel naar Overschild kijkt, het naburige dorp waar ontwerp wel de vrije hand kreeg en woningen in allerlei architectuurstijlen zijn teruggebouwd. Hij twijfelt of Overschild Overschild nog wel is. Van Soest meent van wel: ‘Daar is een zorgvuldig proces doorlopen, met veel inspraak. Het heeft geleid tot een eigenzinnige aanpak en vrijgevochten projecten. Maar dat past daar wel. Het is een soort Texas van Groningen.’

 

Als we over een slingerende landbouwweg richting Ten Post lopen, komt het gesprek op geld. Want als de versterking echt op een andere manier moet worden aangevlogen – omdat ruimtelijke kwaliteit een prominente plek verdient en we verbanden willen leggen met andere vraagstukken – moet er dan geld bij? Maas vindt dat een lastige vraag. ‘Het gaat om extreme bedragen, wat moet ik daar over zeggen? Ik draai het liever om: laten we goede plannen maken die meteen worden goedgekeurd.’

 

De scherpe budgettering zit een bredere blik evenwel in de weg, weet Van Soest. ‘De woningen hier hebben last van bodemdaling – we zitten immers op de overgang van veen naar klei. Als je gaat versterken of vervangen is het slim om ook de fundering mee te nemen. Maar dan kom je in de ondoorgrondelijke wereld van aansprakelijkheid: het gegeven budget is alleen bedoeld voor schade door aardbevingen. De funderingsproblematiek hoort daar officieel niet bij.’

Langs het water van het Eemskanaal spreken we een vrouw uit Loppersum die op bezoek is bij haar zoon. Aan haar vragen we hoe ze kijkt naar het toekomstperspectief dat voor Groningen in de maak is. Ze uit een zorg die onder meer Groningers leeft. ‘Het is zeker belangrijk dat er meer gebeurt, maar eerst moeten onze huizen gemaakt worden.’ Als we verder gaan, zegt ze nogmaals: ‘Vergeet onze huizen niet.’

 

Kruisbestuiving

Bij het binnengaan van Ten Post stellen Maas-Flim en Van Soest dat het toekomstperspectief niet ten koste gaat van de versterkingsoperatie. ‘Ze zijn financieel en institutioneel van elkaar gescheiden’, legt Van Soest uit. ‘Ik vrees alleen wel dat kansrijke koppelingen daardoor gemist worden.’

 

Na een stop bij de plek waar straks het Huis voor Ten Post verrijst, en de kerk, de school en de voetclub een gezamenlijk onderkomen krijgen (zie kader), lopen we naar de Nije Buurt. Hier is veel te zien van de gewraakte sloop-nieuwbouwaanpak. Maas wijst naar enkele eenzijdige woonblokjes die vorig jaar zijn teruggebouwd. ‘Ik mis de diepte. En voor dit dorp zijn ze eigenlijk te hoog, te log ook.’ Als we de hoek om gaan verschijnt een glimlach op haar gezicht. ‘Hier zie je een compositie, terwijl het straatje van zojuist vooral een consequentie is van systeembouw.’ De huizen in deze straat hebben een lage goothoogte met een hoge kap. Het straatbeeld is door de rooilijn- en kapverspringingen informeel en dorps. Van Soest wijst op de erfafscheidingen met beukenhagen. Een huis op de hoek brengt vanwege de gele steen en een subtiel vormgeven balkon kleur en verrassing. De straat zelf wordt nog heringericht. Van Soest: ‘Dit wordt overigens net als het gemeenschapshuis betaald met geld uit het toekomstperspectief – dus hier is die kruisbestuiving wel gemaakt.’

 

Als we afscheid nemen vragen de dames of ze niet te somber overkomen. Als we ze op het hart drukken dat dit niet het geval is, zegt Maas-Flim: ‘Ik geloof dat iedereen echt zijn best doet. Ik bedoel: niemand is erop uit om Groningen lelijker maken.’ Van Soest tot slot: ‘En toch geven we ruimtelijke kwaliteit niet de aandacht die het verdient. Daar is dus zeker nog een wereld te winnen.’

 

Dit artikel verscheen eerde in het juninummer van Blauwe Kamer.