‘Dat we geen signalen krijgen, betekent niet dat het niet gebeurt’

Terwijl een maatschappelijk debat gaande is over onwenselijke praktijken op de werkvloer, blijft het in de ontwerpwereld op dit vlak opvallend stil. Het gaat – ook in Blauwe Kamer – meestal over wat de vakgebieden opleveren en nauwelijks over onder welke omstandigheden plannen tot stand komen. Zo'n gesprek is niet makkelijk. ‘De vakwereld is een soort familie. Hoe zorg je dat mensen in een veilige omgeving hun zegje kunnen doen?’ 

 

Door: Mark Hendriks

 

Dit is een verhaal over de werkcultuur. Preciezer gezegd, over hoe die werkcultuur soms onprettig en zelfs gevaarlijk kan zijn. Denk aan hoge werkdruk en lage salarissen, maar ook aan discriminatie en (seksuele) intimidatie. We spreken met Veerle Alkemade en Catharine Koekoek, respectievelijk architect en filosoof. Ze kwamen in beeld door een artikel van hun hand over de zwakke positie van werknemers in de architectuur- en ontwerpbranche. In het stuk verbazen Alkemade en Koekoek zich erover dat het in ‘het vak’ alleen maar gaat over de mooie ontwerpen en spraakmakende projecten, en niet over de omstandigheden waaronder die ontwerpen gemaakt worden. ‘Dan doelen we op de werk- druk, de lage salarissen, de gebrekkige inclusiviteit, onveiligheid en ongelijkheid’, legt Alkemade uit. ‘Neem het aantal vrouwen. In het onderwijs is de balans nog 50-50, maar binnen bureaus veranderen die cijfers snel, zeker als het hogere functies betreft. Voor vrouwen is het perspectief gewoon minder rooskleurig. Qua salaris, qua doorgroeimogelijkheden, qua herkenning. Voelt een vrouw zich architect als ze niet wit is, geen zwarte trui en dito bril draagt?’ 

 

Zelfreinigend vermogen

Alkemade en Koekoek kregen vooral van jonge werknemers veel positieve reacties op hun artikel. Alkemade: ‘Mensen zeggen: hey, ik herken dit. Ik loop hier ook mee rond en fijn dat het dus niet iets is waar alleen ik mee zit. Maar we krijgen ook vragen over waarom we dit aankaarten en “of we nog wel van architectuur houden”.’ Die reacties komen vooral van de oudere garde, diegenen met een gevestigde positie. Zeker in de architectuur heerst een traditionele werkopvatting van de alwetende ontwerper die zich om niks anders hoeft te bekommeren dan het bedenken van een geweldig concept. Veel bureaus zijn rondom dat beeld georganiseerd, waardoor zaken die ook horen bij het hebben van een eigen bureau – inspraak, werkdruk, arbeids- voorwaarden – in de marge belanden.

 

Veel van wat fout gaat hangt volgens Alkemade en Koekoek samen met de wankele financiële basis onder bureaus. De bedrijfsvoering is geënt op projecten doen, de vergoedingen in de branche zijn ronduit laag. Dat wordt afgewenteld op werknemers die te ma- ken krijgen met lage lonen, tijdelijke contracten en overwerk. ‘Zij kunnen vrijwel nergens terecht om dit aan te kaarten, laat staan dat ze misstanden als seksueel grensoverschrijdend gedrag bespreekbaar durven maken’, zegt Koekoek. Alkemade: ‘Gelukkig is er iemand als Zamaney Menso van de FNV die bij ontwerpbureaus langsgaat om medewerkers te wijzen op hun rechten. Het zelfreinigend vermogen van het vakgebied is laag. Het wordt tijd dat deze geluiden in de openbaarheid komen.’

 

Laag salaris

Dan is het woord aan Joeri de Bekker, de kersverse voorzitter van de beroepsvereniging NVTL. Hij stelt aan het begin van het interview dat hij voornemens is om met zijn collega van de BNSP Eric van der Kooij werk te maken van onwenselijke werkomstandigheden. De Bekker constateert al langer een mismatch tussen hoe jonge generaties naar werk kijken en wat bureaus van hen verwachten. ‘Jongeren vinden fulltime niet meer de norm. Die vinden andere zaken net zo belangrijk, zoals sociale activiteiten, zelfontplooiing, thuiswerken of mantelzorg. Dat rijmt niet met de cultuur binnen ontwerpbureaus waarin hard werken altijd de norm is geweest. Ik vind dan ook dat werkgevers meer oog moeten hebben voor deze “zachte” kanten’.

 

Het relatief lage salaris is voor De Bekker een aandachtspunt. De eerste reactie bij bureaus is vaak: meer kunnen we niet betalen. Maar net als Veerle Alkemade en Catherine Koe- koek legt ook De Bekker een verband met de verdienmodellen. ‘Die staan op losse schroeven omdat het werk dat geleverd wordt niet in verhouding staat tot wat ervoor betaald wordt. Als vakgebied moeten we onze poot stijf houden. U verlangt ontwerpend onderzoek? Dat is zeer kennis- en arbeidsintensief, dus dat betekent deze prijs.’ Tegelijkertijd ziet NVTL-voorzitter kansen in de conjunctuurgevoeligheid, lange tijd een achilleshiel van het vak. ‘Het verlangen naar flexibiliteit onder jongeren kan betekenen dat je in drukke periodes mensen aan je bindt, die dan in rustige periodes tijd krijgen voor andere zaken.’

 

Voor meer kwetsbare onderwerpen, zoals grensoverschrijdend gedrag, wordt gesuggereerd dat de BNSP en de NVTL een meldpunt zouden moeten inrichten. De Bekker vindt dat een legitieme vraag, maar worstelt met het antwoord. De vakwereld is klein, het is een soort familie – hoe zorg je dat mensen in een veilige omgeving hun zegje kunnen doen? ‘Ik hoor dat bureaus een vertrouwenspersoon overwegen, maar dat ze niet weten hoe. Wie stel je aan, met welk mandaat? Ik vind dat we dit zeer serieus moeten nemen. Dat wij nu geen signalen krijgen, betekent niet dat het niet gebeurt. Ik bedoel: ‘s avonds overwerken in een klein kantoor, wie weet wat zich daar dan afspeelt.’

 

Achter de schermen

Veel vragen en twijfels dus. Mogelijk biedt Carla Maria Verwer houvast, werkzaam als expert sociale veiligheid. Volgens haar hangt een veilige en aangename werkcultuur af van twee zaken. Aan de ene kant aspecten als werkdruk – en hoe acceptabel die is – en hoe binnen een bedrijf wordt omgegaan met ingrijpende gebeurtenissen, zoals een overlijden of reorganisatie. Aan de andere kant de omgangsvormen. En dan komen we op het vlak van seksuele intimidatie, pesten, agressie en discriminatie. Het is, zo vertelt Verwer, eigenlijk heel simpel, want het staat gewoon in de Arbowet: elke werkgever is verplicht om te zorgen dat de omstandigheden op het werk bijdragen aan het welzijn van elke werknemer. ‘Alle misstanden of onwenselijkheden voorkomen lukt niet. Dus dan is de vraag: wordt hier binnen een bureau adequaat mee omgegaan?’

 

En dat is precies waar het aan schort. Zeker in beroepen met een creatief oormerk – waar het uitoefenen van het vak boven alles gaat en andere zaken als minder belangrijk worden gezien. Om recht te doen aan het welzijn van medewerkers, zijn volgens Verwer vier domeinen relevant, als een soort handvatten om de werkcultuur veilig en plezierig te maken. ‘Allereerst de vraag of medewerkers zich thuis voelen binnen een bedrijf. Dat raakt aan diversiteit en inclusie: herken ik mezelf, hoor ik erbij? Een tweede punt is het lerend vermogen. Mogen jonge ontwerpers fouten maken, krijgen ze de ruimte om zichzelf te ontdekken?’ Als derde noemt Verwer samenwerking. In ontwerpprojecten gaat de waardering vaak naar het bureau en de topontwerpers. ‘Maar hoe zit het met de waardering van de medewerkers die achter de schermen net zo hard hebben gewerkt? Wordt hun bijdrage even goed gewaardeerd, is het project een teamprestatie?’

 

Weekoverleg

Als bovenstaande punten op orde zijn, meent Verwer, zullen mensen zich sneller durven uitspreken. En dat is de vierde voorwaarde voor een veilige werkomgeving: de ruimte hebben om zaken die niet goed gaan bespreekbaar te maken, de ruimte hebben om kenbaar te maken dat sommige gedragingen als onprettig worden ervaren. Kortom: het omarmen van tegenspraak. Dat laatste is volgens de expert sociale veiligheid pure noodzaak. ‘Je kan nog zoveel hervormingen doorvoeren, je kan nog zoveel vertrouwenspersonen aanstellen, het begint ermee dat de werkgever aanspreekbaar is én verantwoordelijkheid neemt voor wat er in zijn of haar bedrijf gebeurt. Stap één is dat bureau-eigenaren zichzelf de vraag stellen: wat zijn wij voor bureau, hoe willen we dat onze mensen ’s avonds naar huis gaan?’

 

Verwer snapt dat het lastig kan zijn om veranderingen in de praktijk te brengen. ‘Maar het hoeft niet ingewikkeld te zijn, hoor. Maak het onderdeel van het weekoverleg op maandagochtend. Naast het doornemen van de projectplanning maak je ook een rondje. Hoe zitten we erbij? Zit iemand ergens mee? Wie wil zijn hart luchten?’  

 

Dit artikel verscheen eerder in Blauwe Kamer 3-2023