Einde in zicht van Belgische toestanden in ruimtelijk beleid Vlaanderen?

Het is een bekend euvel: de nadruk op architectuur en private bouwprojecten in België heeft het land ruimtelijk versnipperd en, zeker in Nederlandse ogen, tot een rommelig landschap geleid. Wat minder bekend is: steeds vaker werken overheden hard om nieuwe wegen te zoeken. Nederlandse bureaus op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur leveren een welkome bijdrage. ‘In Vlaanderen hebben we het voordeel van de onbevangen buitenstaander.’

Tekst: Evelien Pieters / Beeld: KCAP

Actualiteitenprogramma’s over de ruimteverslindende verstedelijking, de documentaireseries ArchiBelge en Atelier de Stad zijn een teken dat de ruimtelijke opgave in België op de agenda staat. Er lijkt een koerswijziging ingezet die ook hard nodig is om het volgebouwde land leefbaar te houden, te voldoen aan de almaar groeiende vraag naar woningen, de balans met open ruimte in het oog te houden en passende antwoorden te vinden voor het prangende mobiliteitsvraagstuk.

 

De Vlaamse landschapsarchitect Steven Delva ervaart na ruim tien jaar praktijkervaring in Nederland en België een positieve verandering: ‘Ja, ik zie eindelijk perspectief in Vlaanderen. Niet meer elke keer hoef ik het belang van landschapsarchitectuur binnen ruimtelijke planning uit te leggen. Het inzetten van grote landschappelijke structuren is steeds vaker al onderdeel van de opgaven.’ De Vlaamse landschapsarchitect David Verhoestraete van het bureau Cluster bevestigt dit: ‘De voormalige Vlaams Bouwmeester Marcel Smets heeft hieraan bijgedragen door projecten op het gebied van infrastructuur, landschapsontwikkeling en masterplanning juist ook te benaderen als ruimtelijke ontwerpopgaven.’

 

Particuliere belangen

Aglaée Degros van het Rotterdams-Brusselse bureau Artgineering: ‘Hoewel het ruimtebeleid in België altijd sterk beïnvloed wordt door particuliere belangen – bijna iedereen heeft zijn eigen grond met huis, dat is zijn pensioen – lijkt er nu daadwerkelijk iets te verschuiven. De reden is dat de betaalbaarheid van die manier van wonen onder druk staat en ook het denken over het milieu sterk is veranderd.’

 

Het gevolg is een roep om studies naar en visies op de aanpak van ruimtelijke vraagstukken. Volgens Steven Delva wordt in Vlaanderen tijd genomen voor gedegen onderzoek, vaak in samenwerking met universiteiten. In Nederland signaleert hij een tegengestelde trend waarbij plannen meer op uitvoering gericht moeten zijn.’

 

Een van de obstakels is het ontbreken van een stedenbouwtraditie, analyseert Els Nulens van het Antwerpse Blauwdruk Stedenbouw: ‘In Vlaanderen hebben we de afgelopen honderd jaar niet aan stedenbouw gedaan. We hebben ons beziggehouden met planologie en met architectuur, maar niet met specifiek gebiedsgericht ontwerp.’

 

De laatste jaren zijn heel wat Nederlandse bureaus betrokken bij opgaven in Vlaanderen. Dat komt ongetwijfeld door de krimpende markt in Nederland, maar ook omdat de Nederlandse kennis wordt gewaardeerd. Niet alleen omdat Nederlandse landschapsarchitecten bedreven zijn in het ontwerpen op het grote schaalniveau, benadrukt Jeroen Ruitenbeek, partner bij Palmbout: ‘Als ontwerpers zijn we in Nederland ook gewend te werken voor een combinatie van publieke en private opdrachtgevers waarbij we hebben geleerd om met tegengestelde belangen om te gaan. En in Vlaanderen hebben we het voordeel van de onbevangen buitenstaander.’

 

Juridisch kader

Maar de Belgische beleidspraktijk is totaal anders dan de Nederlandse, verklaart Aglaée Degros: ‘Het beleid in België is sterk gefragmenteerd, we hebben een federale regering, gewesten, provincies en gemeentes, met daarbinnen weer sterk versnipperd bestuur. Bovendien is het ruimtelijk beleid in België volledig georganiseerd rond individueel bezit en bouwen. Ambitieuze regionale visies komen vaak niet goed tot uitvoering doordat private partijen en lagere overheden uiteindelijk bepalen wat er daadwerkelijk gebouwd wordt.’

 

Jeroen Ruitenbeek herkent dat: ‘Vlaamse gemeentes zijn vaak afwachtend. Ze gieten een stedenbouwkundige visie in een juridisch kader en wachten af met welke plannen ontwikkelaars komen. Natuurlijk speelt mee dat ze zelf weinig grondbezit hebben, maar ze zijn ook niet gewend om als gemeente zelf met private partijen aan de slag te gaan. Laat staan dat gemeentes het aandurven om gronden te onteigenen, dat tornt aan de rechtszekerheid. Het collectieve belang krijgt daardoor hier weinig ruimte.’

 

Aglaée Degros ziet hierin een kentering: ‘In België ben je gedwongen om vroeg lokale overheden te betrekken, anders raakt je plan nooit verwezenlijkt. De energie van kleinschalige projecten in uitvoering kun je uitstekend inzetten als inspiratie voor een grotere visie, die daardoor bovendien uiteindelijk dichter bij de burger staat Een beweging waar iedereen in Nederland nu ook hard naar zoekt.’

 

In stukjes knippen

Deze werkwijze paste Degros’ bureau Artgineering toe in de studie voor de noordrand van Brussel als onderdeel van het Territoriaal Ontwikkelingsprogramma (T.OP). In dit project werken het Vlaams gewest, het Brussels gewest, de provincie Vlaams-Brabant en de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij aan een gezamenlijke visie. Jan Zaman: ‘We zoeken met dit soort nieuwe programma’s naar bestaande projecten in het veld. In dit geval vroegen we drie ontwerpteams een visie te maken en de discussies tussen partijen als lokale overheden en bedrijven te begeleiden. De ontwerpbureaus maakten dus geen ontwerpen, maar stelden vooral de vragen scherp. Het doel was te komen tot een van onderaf gedragen actieprogramma, waarmee we naar de politiek konden stappen.’

 

Een betere samenwerking tussen de overheden en private partijen rond belangrijke ruimtelijke vraagstukken ziet Devoldere als grote uitdaging: ‘Onze studies wijzen uit dat je opgaven niet zomaar in stukjes knippen kan. We hebben een organisatieniveau nodig waarmee met een overkoepelende blik kan worden gestuurd op kwaliteit, een coalitie waar lokale overheden in thuishoren. Ontwerpend onderzoek een rol geven op planningsniveau is op bestuurlijk niveau geen evidentie. Al raakt men ook daar van het belang steeds meer overtuigd.’

 

Dit artikel is een ingekorte versie van het essay van Evelien Pieters in het Blauwe Kamer Jaarboek van december 2015

Berichten: 0