‘Het IJsselmeergebied ontbeert een plan’

OPINIE – In het maartnummer van Blauwe Kamer pleit landschapsarchitect Saline Verhoeven voor een transitie van het IJsselmeergebied van een nutslandschap in een toegankelijk ‘genietlandschap’. Henk Licher, oud-directeur Provincie Flevoland, onderschrijft de noodzaak om het denken over het IJsselmeergebied nieuw leven in te blazen. Terugkijkend op honderd jaar Zuiderzeewet roept hij op tot een samenhangend ‘Merenplan’: de voltooiing van de Zuiderzeewerken, maar dan ‘niet vanuit de landaanwinning, maar om het scheppen en beveiligen van goede biotopen voor flora en fauna’.

 

 

 

 

 Tekening uit 1924 van de Zuiderzeewerken door Cornelis Lely.

Dit jaar is het honderd jaar geleden dat de Zuiderzeewet werd ingesteld. Deze wet voorzag in de Afsluitdijk en de inpoldering van een deel van de Zuiderzee. Dit project heeft het aanzien van ons land ingrijpend veranderd. De inpoldering van de laatste polder, de Markerwaard, werd uitgesteld en afgelast. Dit binnenmeer bleef als een ongeopend boek liggen. Dat riep echter de vraag op wat er met de oevers van Flevoland moest gebeuren; bij de aanleg daarvan was immers geanticipeerd op de droogmaking van het Markermeer.

Het zoeken van een nieuwe koers kost tijd en denkkracht en vanzelfsprekend komt dan ook het zoeklicht op het open water van het Markermeer. Zo ontstonden allerlei initiatieven en interventies om te profiteren van de kansen die dit groot open water in het midden van ons land biedt. Amsterdam ontwikkelde zijn IJburgplan met een blik op milieucompensatie in het Markermeer; Almere poetste haar buitendijkse plannen op; Lelystad kreeg van Natuurmonumenten de Markerwadden, een schor- en kreekachtig voorland aan de dijk Enkhuizen-Lelystad; Rijkswaterstaat startte experimenten ter verrijking van het natuurlijk milieu: Markerstapstenen en Markerkwelders, een kunstmatig rif, luwte in de Hoornse Hop, en andere proefopstellingen.

De Zuiderzeewerken, die meerdere generaties een eeuw hebben geïnspireerd, krijgen zo een vervolg. Een begin, omdat moet worden afgewacht hoe het zal gaan met natuurontwikkeling, hoe de afwerking van de belendende dijken en oevers gaat plaatsvinden, welke ruimte aan de diverse verstedelijkingsopties wordt geboden en of er ruimte moet worden geboden aan landsdeelverbindende infrastructuur. Ook moet de waterkwaliteit worden verbeterd: schoon water voor mens, fauna en flora. Ook de Afsluitdijk – eveneens onderdeel van het Zuiderzeeproject – is onderwerp van een nieuwe aanpak waarin rekening wordt gehouden met de zoet-zoutuitwisseling, de verhoogde waterafvoer en de verkeerstechnische en nautische aspecten. Maar dan rijst de vraag wat de toekomstige samenhang wordt tussen de grote wateren, die alle tot eenzelfde systeem behoren: de grens Waddenzee-IJsselmeer, het IJsselmeer, het Markermeer, en het IJmeer. De oostelijke randmeren daargelaten, die een wat minder dynamisch gehalte hebben.

De uitdaging van dit grote gebied blijft de vakgemeenschap intrigeren, zoals ook blijkt uit het artikel van Saline Verhoeven in het maartnummer van Blauwe Kamer. De Van Eesterenleestoel heeft in het afgelopen jaar een aantal kennisconferenties over de toekomst van het IJsselmeergebied gehouden. Die leerstoel is genoemd naar Cornelis van Eesteren, de man die zo nauw betrokken was bij de landschappelijke en stedenbouwkundige inrichting van Flevoland. Ook hield hij zich bezig met de inrichting van het Markermeer, toen nog voorbestemd tot inpoldering. In zijn schets uit 1966 verbond hij het nieuwgewonnen land met Noord-Holland, om via weg en rail het midden van ons land beter oost-west te ontsluiten. De Zuiderzeewerken zijn, met de Deltawerken, de grootste ruimtelijke en maatschappelijke ondernemingen die ons land heeft gekend. Het Markermeer is door de stopzetting van de Zuiderzeewerken vrijgegeven voor gebruik van allerlei aard: stedelijk, landschappelijk, milieutechnisch, nautisch en recreatief.

Een toekomstbestendige inrichting van het grootschalig watergebied van IJmeer, Markermeer en IJsselmeer ontbeert een plan waarin de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden in samenhang worden gebracht. Het door deze meren aaneengesloten water kent zijn gelijke niet in Europa, gelet op de ecologische mogelijkheden, de centrale ligging, de toegankelijkheid en de nabijheid van grote bevolkingsconcentraties. Een doordacht en houdbaar ‘Merenplan’, kan de voltooiing van de Zuiderzeewerken zijn. Nu niet vanuit de landaanwinning, maar om het scheppen en beveiligen van goede biotopen voor flora en fauna.

Dat impliceert nog meer mogelijkheden voor grootschalige natuurbouw, plaatselijke verdieping en eilandvorming met de daardoor vrijgekomen grond, verscheidenheid aan milieus in oeverzones, een goed waterbeheer, lokale verstedelijkingsmogelijkheden, nautische corridors en watervoorziening voor de landbouw en drinkwater. In dit ecosysteem past ook ruimte voor de werkende en spelende mens. Misschien mag ook aan landsdelige verbindende infrastructuur worden gedacht, of het nu weg of rail is. Kijk eens naar de verbindingen tussen Denemarken, Zweden en Duitsland, naar lengte, diepte, omvang en kosten bepaald heftiger. En zie onze eigen Zeelandbrug. Wij staan al te lang op de schouders van reuzen: Cornelis Lely, Jacques P. Thijssen, Cornelis van Eesteren. Kom eraf, mobiliseer onze kennis, denk- en ontwerpkracht en vier het eeuwfeest van het Zuiderzeeplan met een nieuw, inspirerend en gidsend ontwerp voor komende generaties.

Reactie schrijven

Commentaren: 0