Afstudeerwerk 2017: 'Betrokken zonder groots gebaar'

Afbeelding uit het afstudeeronderzoek van WUR-student Marit Noest: At-the-edge

Jaarlijks presenteert Blauwe Kamer het beste afstudeerwerk in landschapsarchitectuur en stedenbouw. De elf opleidingen ─ hbo's, academies van bouwkunst en universiteiten ─ selecteerden de projecten van hun afstudeerders uit de oogst van het afgelopen studiejaar. Robbert-Jan van der Veen houdt de oogst tegen het licht en constateert dat de studenten alleen in de waterprojecten groots durven denken. Aan engagement ontbreekt het niet, maar ‘in vergelijking met de oude meesters is het afstudeerwerk minder groots en meeslepend en te weinig vertaald tot een uitvoerbaar plan’.

Het onderwijsdossier is onderdeel van Blauwe Kamer 2-2017. Het is ook afzonderlijk te bestellen als PDF

Ik kan het me nog goed herinneren, het afstuderen. Ik vond het een genot. Voor de een is het een grand dessert, voor de ander een laatste avondmaal en een derde ziet het als een vieze vaat die te lang blijft staan. Het is in ieder geval de enige en laatste keer dat je jezelf volledig kan verliezen in een droomopgave die je ook nog eens zelf mag bedenken. De creatieve vrijheid aan de ene kant en het academische en vakkundige toetsingskader aan de andere kant, maakt het afstuderen een zoektocht naar de juiste balans. Hoe is het met deze balans gesteld bij de jongste generatie afgestudeerde landschapsarchitecten en stedenbouwkundigen?

Prangende vraagstukken
Stedenbouwkundigen en landschapsarchitecten staan de komende decennia samen met vakgenoten uit de architectuur, de civiele techniek, de projectontwikkeling en de planeconomie, voor complexe en prangende vraagstukken: hoe verdichten we onze steden en hoe maken we ze tegelijk gezonder, circulair, inclusiever, speelser, flexibeler en klimaatbestendiger?

Veel afstudeerders agenderen een onderwerp dat binnen dit krachtenveld speelt, zoals het stappenplan voor de verdichting van Haarlem (Ricsi van Beek, Academie van Bouwkunst Amsterdam) het voorstel Waterstad Arnhem (Mads Leuverink, HKU) en het ontwerp voor een ‘efficiënt daily urban’ system in Oss (Michelle Ritzen, NHTV). Er wordt gekeken naar integrale kansen, naar mogelijkheden om opgaven te combineren.

Als ik de oogst aan afstudeerwerk in dit nummer overzie bekruipt mij het gevoel dat de studenten meer uit hun plannen hadden kunnen halen als ze groter hadden durven denken en grootstedelijke thema’s evenwichtiger zouden behandelen op meerdere schaalniveaus. De onderwerpen lijken trendgevoeliger en meer aan de maatschappelijke oppervlakte te liggen. De zorg wordt geprivatiseerd en komt terug in de wijken in het voorstel Zorgeloos wonen (Iris Bol, NHTV), de aanpak van gentrification in Inclusive Hackney (Barend Mense, Rotterdamse Academie van Bouwkunst), het plan om De Bergen in Eindhoven gezinsvriendelijk te maken (Chris Steenhuis, TUe) en het creëren van actieve steden om ziekte en een ongezond leven tegen te gaan met het plan Running Amsterdam (Mart Reiling en Thijs Dolders, Wageningen University).

Stuk voor stuk boeiende afstudeerwerken, maar wat was het resultaat geweest als deze studenten gezamenlijk aan dezelfde stad hadden gewerkt, en op meerdere schaalniveaus hadden bekeken hoe deze grootstedelijke thema’s elkaar beïnvloeden en binnen het perspectief van de verdichtingsopgave meerdere doelen tegelijk dienen? Wat dat betreft toont het merendeel van het studentenwerk intelligente, maar voorzichtige en enigszins brave strategieën en scenario’s.

 


Het valt op dat alleen kustverdedigingsplannen en plannen voor binnenstedelijke waterberging nieuwe stedelijke programma’s opleveren of gekoppeld worden aan stedelijke vernieuwing

 


De vraag rijst waar de grootse ingrepen zijn zoals we die kennen van vroeger – denk aan de singels van Rose, het AUP van Van Eesteren, de parken van Zocher, de stedelijke inbreidingsplannen van Berlage –, waarin het vakmanschap gevierd werd en de grootschalige interventies het stedelijk landschap een nieuwe betekenis gaven. Is het visionaire eindbeeld of de blauwdruk echt een taboe geworden? Het valt op dat binnen de afstudeerwerken alleen kustverdedigingsplannen (de bescherming van New Jersey door de Wageningse afstudeerder Marit Noest) en klimaatadaptieve plannen voor binnenstedelijke waterberging (Alex de Jong, Rotterdamse Academie), of het Wageningse plan voor de Krimpenerwaard van Sander Hermans nieuwe stedelijke programma’s opleveren of gekoppeld worden aan stedelijke vernieuwing. De waterverdediging nodigt blijkbaar wel uit tot groots denken.

De voorzichtigheid in de rest van het studentenwerk brengt wel iets moois aan het licht: de menselijke en speelse stad, die ruimte biedt voor waar mensen echt behoefte aan hebben en ingaat op sociaalmaatschappelijke vraagstukken die op ons afkomen en al gaande zijn.

De grootse en meeslepende stedenbouwkundige en landschappelijke plannen uit het verleden dreigden daarentegen soms juist de menselijke maat te vergeten en er werd te weinig ontworpen vanuit de daadwerkelijke behoefte, de beleving en het welzijn van mensen. Het is positief dat de studenten van vandaag de mens centraal zetten en dieper ingaan op het personifiëren van de gebruiker of de doelgroep en het betrekken van gebruikers in een participatietraject, zoals het project voor het leeglopende stadshart van Eindhoven (Ilse Heesterbeek, TUe). Het beste voorbeeld is evenwel het ontwerp van een duurzame ontwikkelingsstrategie voor Lampedusa (Saxion/Urban Nomads).

Het is eigenlijk vreemd dat ontwerpopleidingen in het verleden amper aandacht aan participatie schonken, terwijl een aanverwante discipline als industrieel ontwerpen volledig is ingericht op het betrekken van gebruikers in een ontwerpproces. Mooi dus dat de nieuwe generatie hier langzaam verandering in brengt.

Dat wil overigens niet zeggen dat participatie een verplicht onderdeel moet worden van het afstuderen, maar het is goed als studenten hier een bewuste keuze in maken en voor zichzelf een strategie bepalen. Wat is nodig op welk moment? In hoeverre laat je participatie toe als het je creatieve kracht belemmert? Het zou goed kunnen dat de vrije geest en het kunstenaarschap van de ontwerper een gebied juist kunnen veranderen door een autonoom en inspirerend voorbeeld te zijn naar de omgeving. Een prachtig voorbeeld hiervan is het ontwerp van Steffie de Gaetano van de TU Eindhoven voor een oude steenfabriek in de Arnhemse uiterwaarden. Hier wordt op kunstzinnige manier een bestaand landschap herontdekt aan de hand van follies en installaties die de gelaagde historie van het gebied verbeelden en activeren. Een kunst die in dit project geëtaleerd wordt, maar in de andere afstudeerwerken ontbreekt.

Te ambitieus
De stad wordt steeds meer gezien als een gelaagd sociaal en technisch ecosysteem. In de afstudeerprojecten zien we dat systeemdenken en het spelen met ecosystemen terug. Dit kan op een landschappelijke of stedelijke manier, en gaat gepaard met de toepassing ruimtelijke toolboxen (visie voor de stedelijke regio van Milaan, Filippo LaFleur, TU Delft). In Van infrastructuur naar flowscape (eveneens TU Delft, Shao Shan) is onderzocht hoe een infrastructurele laag extra betekenis krijgt door een harmonieuze leefomgeving te creëren voor zowel de natuur als voor stedelijke ontwikkeling.

We verwachten veel van stedenbouwkundigen en landschapsarchitecten, en de vraag is of dat terecht is. De afgelopen decennia zijn vakgenoten en studenten overspoeld met programma’s zoals ‘The architecture of consequence’ van het Het Nieuwe Instituut of de thematiek van de verschillende architectuurbiënnales in Rotterdam. Deze programma’s gingen over immense politieke, sociale, economische en ecologische uitdagingen.

 

 

Hoe studeerden Van Eesteren, Berlage, Zocher en Bijhouwer af, eveneens ten tijde van grootstedelijke problemen – de uitvinding van auto’s, vervuiling, industriële revolutie en politieke verzuiling?

 

Aan de ene kant inspirerend, maar aan de andere kant te ambitieus om te geloven in het allesomvattende probleemoplossend vermogen van de ontwerpende discipline. In deze discussie is het interessant om weer even terug te grijpen op de meesters toen: hoe studeerden Van Eesteren, Berlage, Zocher en Bijhouwer af, in een periode, net zoals nu, van grootstedelijke problemen – de uitvinding van auto’s, vliegtuigen en treinen, vervuiling in de stad, een nieuwe woonwet, de industriële revolutie en de politieke verzuiling. Onderwerpen waar zij met hun ontwerpen ongetwijfeld op in zijn gesprongen, terwijl de oorsprong van hun opleiding in het grondstoffelijke, materialistische en het ambachtelijke lag. Zij leerden het vak in de kwekerij, in de aannemerij, in de meubelmakerij en binnen het model van leerling-meesterschap op de bouw en op de universiteit. Het leren bouwen en het combineren van vakmanschap, kunstenaarschap, esthetiek en bouwheerschap mondde uiteindelijk uit in het talent en de kunde om de wereld vanuit je eigen vakgebied in combinatie met andere vakgebieden te kunnen veranderen.

Verstoorde balans
Dit vakmanschap lijkt in het afstudeerwerk te ontbreken. De kennis en kunde van het bouwen en het doorvoeren van een visie of een concept tot het laatste detail, tot de laatste steen en schroef. Iets waar de stedenbouw en de landschapsarchitectuur uiteindelijk toch in moeten resulteren: het veranderen en bouwen van onze leefomgeving.

De balans tussen de creatieve vrijheid en het vakkundige toetsingskader lijkt daarmee verstoord. In vergelijking met onze oude meesters is het afstudeerwerk minder groots en meeslepend en wordt het niet altijd vertaald tot een uitvoerbaar plan met aandacht voor details. De trend gaat meer richting het ingaan op sociaalmaatschappelijke trends, het ontwerpen van ecosystemen, het ontwerpen van scenario’s en strategieën en kleinschalige ingrepen al dan niet ondersteund door een participatietraject. Het zou mooi zijn om deze krachten in de toekomst weer te verenigen en te overwegen of we niet te veel vragen van onze afstudeerders.

 

Het onderwijsdossier is onderdeel van Blauwe Kamer 2-2017. Het is ook afzonderlijk te bestellen als PDF

Reactie schrijven

Commentaren: 0