Column: Den Haag en het sectorale denken

Door: Mark Hendriks

 

Het is een terugkerend ritueel. Zodra een regeerakkoord het levenslicht ziet of een nieuw kabinet op het bordes staat, gaat de vakwereld naarstig op zoek naar hoe de ruimtelijke ordening – en aanverwante beleidsvelden – er in de aanstaande regeringsperiode vanaf komen.

 

Dus ook in het geval van Rutte III. Een veel gebruikte techniek is turven hoe vaak een bepaald begrip in het regeerakkoord voorkomt. De term ruimte komt er zoals verwacht bekaaid vanaf, zo blijkt uit tellingen die al snel op sociale media rondgingen. Het regeerakkoord loopt ook niet over van woorden als leefomgeving of ruimtelijke kwaliteit. Planoloog Jos Gadet schreef: ‘In hele regeerakkoord komen “verstedelijking”, “verdichting” en “binnenstedelijk bouwen” niet voor. Alarmerend!!’ Wat het natuurlijk ook is, maar daarover zo meer.

 

Een en ander is ook af te leiden uit de naamgeving van de nieuwe ministeries. Vorige week ontstond ophef over het nieuwe I en M dat nu Infrastructuur en Waterstaat heet. ‘Hoe de leefomgeving uit Den Haag verdween’, twitterde voormalig rijksambtenaar Hans Leeflang teleurgesteld. Hier en daar putten sommigen nog hoop uit de samenvoeging van de Omgevingswet en wonen onder de minister van Binnenlandse Zaken Kasja Ollongren, alsof de tijd van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening herleefde.

 

 

Misschien naïef, maar ik had gehoopt op een departement van Klimaat, Energie en Ruimte – juist omdat het een onderkomen had kunnen zijn voor een integrale ruimtelijke aanpak van actuele vraagstukken, zoals de verstedelijkingsopgave, de energietransitie en economische ontwikkeling. Maar door de herverdeling – naast wonen en Omgevingswet bij BZ horen klimaat en energie bij EZ, natuur bij Landbouw en verkeer bij I en W – kunnen we niet anders dan concluderen dat het sectorale denken in Den Haag nog meer de boventoon voert.

 

Deze column verscheen eerder in het Blauwe Kamer e-zine van oktober