In memoriam: Pieter (PAM) Buys (1923-2018)

Foto: Christiaan Krouwels

 

Afgelopen week overleed op 94-jarige leeftijd tuin- en landschapsarchitect Pieter Buys, door velen vanouds PAM genoemd. Onder vakgenoten gold hij als nestor. De terreinaanleg en binnentuinen van de Katholieke Universiteit Nijmegen, de herautentuin van de Efteling, de binnentuin van het ministerie van Financiën, de wijk Grondmolen in Papendrecht – het zijn maar een paar voorbeelden uit zijn productieve carrière. Bijna zeven decennia werkte Buys als ontwerper en zelfstandig gevestigd adviseur – ook na zijn pensionering gaf hij het ontwerpen niet op. Ter herinnering aan hem publiceren we het mooie portret dat oud-redacteur Marinke Steenhuis in 2006 over Pieter Buys maakte.

Pieter Buys drukte zijn stempel op de tuin- en landschapsarchitectuur in de periode waarin het vak zich ontwikkelde tot een volwassen en volwaardige discipline naast de architectuur en de stedenbouw. Dat deed hij niet alleen door zijn duizenden ontwerpen, maar ook doordat hij twintig jaar lang als docent aan de Academie van Bouwkunst in Arnhem bijdroeg aan de vorming van een generatie ontwerpers.

 

In het werk van Pieter Buys zijn twee invloeden bepalend geweest: zijn verblijf in Denemarken van 1947 tot 1949 en zijn samenwerking met de Bossche School-architecten vanaf het eind van de jaren vijftig. In de honderden tuinen die hij maakte, heeft Buys de traditie van het tuin- en buitenplaatsontwerp levend gehouden en van nieuwe thema’s en vormentaal voorzien. Maar naast deze basso continuo in zijn werk ontwierp hij ook aan schoolterreinen, openbare gebouwen, kantoren en fabrieken, woonwijken en stedelijke openbare ruimten.

 

Buys is een ontwerper, geen schrijver: toelichtingen bij projecten ontbreken, de tekening moet het werk doen. In zestig jaar beroepspraktijk is het hem gelukt uit het moeras van vergaderingen en tussentijdse overleggen te blijven. Opdrachtgevers waarderen zijn rol als eigenzinnige kunstenaar, en vallen hem niet teveel lastig. Deze positie schept ruimte voor Buys om zich bezig te houden met waar hij goed in is: schetsend zoeken naar de juiste verhoudingen en vormen.

 

Nieuwste machines

Net als vele ontwerpers van zijn generatie begon Buys zijn scholing met het kwekersvak. Via de tuinbouwschool in Aalsmeer, waar hij de aanleg rond het gebouw mocht ontwerpen, doorliep hij de Rijksmiddelbare Tuinbouwschool in Boskoop en sloot die af met een tweejarige specialisatie tuinarchitectuur.

 

In 1946 trad Buys in dienst bij tuinarchitect Daniël Haspels in Bussum. Haspels was voor de Tweede Wereldoorlog betrokken geweest bij het ontwerpen en moderniseren van buitenplaatsen. Na overname van het bureau van D.F. Tersteeg in 1940 bouwde hij een Gooise praktijk op met veel particuliere tuinen en oorlogsmonumenten. Haspels was zeer actief in de Bond van Nederlandse Tuinarchitecten (BNT), waar hij onder meer lid was van de Commissie van erkenning van de titel tuinarchitect. Nadat hij twee jaar voor Haspels had gewerkt en daar weinig meer kon leren, spoorde deze Buys aan om een tijdje naar Denemarken te gaan, waar de tuin- en landschapsarchitectuur sinds de jaren twintig een enorme vlucht had genomen.

 

In Kopenhagen volgde Buys lessen bij tuinarchitect C.Th. Sørensen aan de Academie voor Schone Kunsten. Net als in Aalsmeer en Boskoop bleef Buys ontwerpstudie combineren met handmatig werk, waardoor hij een goed gevoel kreeg voor de haalbaarheid van een ontwerp in de slag naar de uitvoering. Die ervaring versterkte hij onder meer door te werken als tuinman op de begraafplaats Assistenz Kirkegaard. Daar kon hij bijvoorbeeld de nieuwste machines uitproberen, zoals de heggenknipmachine Speed, waarover hij in 1949 in het tijdschrift De Boomkwekerij een enthousiast artikel schreef.

 

De Deense tuinarchitectuur stond in de jaren rond 1950 in heel Europa bekend als vooruitstrevend. Deense tuinarchitecten richtten zich al ver voor de Tweede Wereldoorlog op de aanleg van tuinen waarin het programma en het gebruik door de bewoners voorop stonden. Gecombineerd met een sobere toepassing van soorten, een grote affiniteit met (bestratings)materiaal en het gebruik van gazons leverde dit een heel ander type tuinen op dan in Nederland, waar de gardenesque opvatting met een veelheid aan boomsoorten en struiken in een slingerende aanleg nog domineerde.

In Denemarken was niet de gesimuleerde natuur, maar een geabstraheerde en gestileerde aanleg het uitgangspunt. De tuinen, parken en begraafplaatsen van ontwerpers als Sørensen, Georg Boye, Georg Georgsen, Sven Hansen en Morten Klint zijn opvallend grafisch van opzet, met veel aandacht voor de precieze vorm en de contravorm en een spel van ruimtes binnen een strakke omlijsting. Kenmerkend voor de Deense tuinarchitectuur was volgens Buys het streven naar eenvoud, in de lijnvoering, de beplanting de materialen en in de toepassing van geschoren hagen.

 

Broedplaats

Met zijn grondige sortimentskennis, zijn ontwerpvaardigheden uit Boskoop, zijn kennis van de buitenplaatsentraditie van Haspels en de nieuwe vormentaal uit Denemarken keerde Buys in 1949 terug in Nederland. Datzelfde jaar nam hij, 26 jaar oud, samen met oud-studiegenoot Jasper Meijers het Bossche bureau van kweker en tuinarchitect Hasselman over, die naar Canada emigreerde. Vrijwel direct boekte het bureau succes met de eerste prijs voor een park in Oslo (zie inzet).

 

Hasselman liet het bureau een netwerk van hoofdzakelijk Brabantse opdrachtgevers achter, waaronder de gemeente ’s-Hertogenbosch. Deze stad ontwikkelde zich in het kielzog van de grote naoorlogse stadsuitbreidingen als broedplaats van het moderne groenontwerp. De BNT hield in 1953 zijn jaarexcursie naar de stad, waarvan Buys en zijn oud-assistent Carl van Empelen verslag deden. Zij roemden in hun artikel de ‘eenvoudige middelen’ waarmee Den Bosch de bezoeker naar zich toe trok en laakten andere grote steden, ‘waar getracht wordt, de prettige indruk van de stad aan ons op te dringen door middel van in schreeuwende kleuren beplantte zaaibloembedden of bloemurnen, waarbij vaak de aanwezige oude boombeplanting geheel wordt genegeerd en door deze “kitsch” volkomen uit haar verband wordt gerukt.’

 

Steeds meer lieten de jonge BNT-leden hun stem horen in de kleine vakgemeenschap met in totaal zo’n zestig leden. Na jaren van lobby en propaganda lukte het de BNT om een speciaal predikaat van erkenning aan tuinarchitecten uit te reiken, waarvoor examen gedaan moest worden. Buys werd in 1952 erkend als tuinarchitect. Dat jaar kreeg hij samen met Meijers een eervolle vermelding voor hun ontwerp voor de begraafplaats van Doorn, dé prijsvraag waarmee moderne tuinarchitectuur in Nederland werd geïntroduceerd en die gewonnen werd door Wim Boer.

 

Lange ontwerpsessies

In 1954 trad een derde vennoot toe tot het bureau: Hans Warnau. Hij nam niet alleen werk mee, vooral uit Amsterdam, waar hij bij de gemeente gewerkt had, maar ook een eigen abstraherende tekenstijl met grote krijtstreken. Buys herinnert zich de lange ontwerpsessies met Warnau, die veel analytischer en rationeler was ingesteld en telkens vragen bleef stellen aan het ontwerp. Er groeide een uiteenlopende beroepspraktijk waarin ontwerpen voor stedelijk groen, terreinaanleg bij scholen, universiteiten en instellingen en particuliere tuinen de hoofdmoot vormden. Het was een drukke periode, waarin Meijers docent werd in Boskoop en Buys en Warnau een dag per week spreekuur hielden in de Noordoostpolder, om te adviseren over de erfbeplantingen bij nieuwe boerderijen.

 

In 1958 gingen de drie compagnons hun eigen weg. Buys werkte in deze periode onder meer samen met Wim Boer aan de tuinaanleg van het Nederlandse paviljoen van Jaap Bakema op de Wereldtentoonstelling van Brussel. In datzelfde jaar kwam de opdracht voor de Katholieke Medische Faculteit in Nijmegen, waaraan hij twintig jaar lang samen met architect Pieter Dijkema verbonden was. Vanaf 1963 tot en met 1998 maakte hij meerdere plannen samen met Bob van der Vliet, die eerst als medewerkend tuinarchitect en later als partner in het bureau werkzaam was. Vanaf 1998 wordt het bureau voortgezet onder de naam MTD. Buys werkt sindsdien weer zelfstandig of in gelegenheidscombinaties.

 

Sobere gebouwen

Een beslissend moment in de loopbaan van Buys was de cursus Kerkelijke Architectuur in 1958, die door Dom. Hans van der Laan, zijn broer Nico en C. Pouderoyen in Den Bosch werd gegeven. De monnik Hans van der Laan (1904–1991) had in de jaren twintig bij de Delftse hoogleraar Granpré Molière gestudeerd, maar was na drie jaar ingetreden in het klooster. Daar startte hij zijn zoektocht naar het ‘plastisch getal’, een driedimensionaal maatsysteem op basis van de gulden snede. De cursus was voor Buys een feest van herkenning, omdat hier de theoretische context werd geboden voor de manier waarop hij gewend was te ontwerpen. ‘Door Dom. Van der Laan kregen tot dan toe niet verwoorde gedachten een eigen taal. Vaak begreep ik maar twintig procent van de cursus, maar dat gaf niet, het bleef hangen.’

 

Onder de naam ‘Bossche School’ ontstond een groep architecten waaronder behalve de broers Van der Laan ontwerpers zoals Jan de Jong, Gerard Wijnen, Jan van Genugten en Fons Vermeulen thuishoren. Tientallen sobere gebouwen, gekenmerkt door plastisch vormgegeven wanden, een materiaalgebruik van beton, baksteen en hout en een vergrijsd kleurenpalet in het interieur, vormden voor Buys het vertrekpunt voor een tuinontwerp. Gebouw en ontwerpidioom leken hier bij elkaar te komen: de eenvoud in vormen, het thema van de buitenplaats en de nevengeschiktheid van ruimten uit de Deense ontwerptraditie sloten wonderwel op elkaar aan. Als tuinarchitect verbond Buys huis, tuin en landschap op een logische en vanzelfsprekende manier met elkaar. Menig architect profiteerde van zijn gevoel voor verhoudingen door hem in de beginfase bij projecten te betrekken.

 

Zijn projecten tonen Buys’ kenmerkende ontwerpthema’s: de buitenplaats, het werken met geleidelijke overgangen van cultuurlijk naar natuurlijk en van hard naar zacht. Maar ook het thema van begrenzing, het maken van een vorm in een vorm, het contrast tussen open en gesloten ruimtes en de aandacht voor bestratingsmaterialen, beeldhouwwerk en smeedwerk. Met dit klassieke repertoire maakt hij tot op de dag van vandaag tijdloze, en dus actuele ontwerpen, die altijd, zoals hij het zelf zegt, ‘plaats bepaald’ zijn. Zoals opdrachtgever mevrouw Van Hoof zei: ‘Ik heb in twintig jaar tijd nooit iets aan de tuin willen veranderen. Het is precies goed zo.’