Steden zijn niet gemaakt voor vrouwen. Ze voelen zich er niet veilig, passen noodgedwongen hun gedrag aan en het kost hen meer moeite om zich voort te bewegen. Ontwerpers kunnen hier verandering in brengen, zegt Nourhan Bassam die gemeenten helpt bij het vrouw-vriendelijk maken van straten, parken en pleinen. Hoewel de omslag in denken groot is, zijn de fysieke aanpassingen dat vaak niet. ‘Feministische stedenbouw draait om kleine ingrepen die het dagelijks leven prettig maken.’
Tekst Mark Hendriks
Foto Loek Buter
Ze noemt zichzelf een ‘feminist-urbanist’ en als we Nourhan Bassam ernaar vragen, omschrijft ze dit als een stedenbouwkundige die ontwerpt met oog voor feministische theorieën en vrouwelijke waarden. Want, en ze laat het niet na om dit tijdens het gesprek meermaals te benadrukken,
‘gewone’ stedenbouwkundigen doen dat niet. ‘Stadsontwerpen zijn – een beetje kort door de bocht – vaak nog zo generiek, zo masculien. Vrouwelijke stadsbewoners zijn een blinde vlek. En daar betalen zij een hoge prijs voor. Als het vrouwen meer moeite kost om zich door de stad te bewegen, als het ze zelfs meer geld kost, lopen ze veel mis. Niet alleen in hun professionele carrière, maar ook op sociaal vlak.’
Acht jaar geleden besloot Bassam zich te richten op wat ze noemt ‘het democratiseren van het ontwerpproces’. Ze wilde afstand nemen van een praktijk die werd gedomineerd door mannelijke ‘starchitects’ en waarin masculiene opvattingen de boventoon voerden. Ze deed promotieonderzoek naar hoe via placemaking bewoners beter betrokken kunnen worden, om zo het buurtgevoel en de inclusiviteit te versterken. ‘Ik ontdekte toen hoe onzichtbaar vrouwen en meiden eigenlijk zijn. Hun behoeften worden amper meegenomen.’
Mannelijk ritme
In diezelfde periode maakte ze kennis met het gedachtegoed van Jane Jacobs en het werk van Jan Gehl over hoe we straten socialer en aangenamer maken. ‘Ik kwam in aanraking met de theorie van de non-sexist city, waarin de Amerikaanse architect Dorothy Hayden al in de jaren 80 sig-
naleerde dat stedenbouw de positie van de vrouw beperkt. Ik bedoel: er bestaan zoveel ideeën over hoe de stad vrouwvriendelijker kan, maar het stokt in het daadwerkelijke doen, in het implementeren ervan in de ontwerppraktijk.’
Voor haar boek The Gendered City verzamelde Bassam tal van getuigenissen. Vrouwen vanuit de hele wereld lieten weten hoe teleurstellend het wonen in de stad kan zijn. Omdat ze dure taxi’s moet nemen omdat de bus te gevaarlijk is. Omdat ze door donkere straten met hoge gebouwen en blinde gevels moeten gaan. Omdat ze in de winter als de dagen korter worden hun gedrag moeten aanpassen. Omdat ze als jonge meiden zich niet thuis voelen op het zoveelste voetbalcourt, en dus
maar binnenblijven. ‘Veel getuigenissen gaan over veiligheid, over je niet op je gemak voelen’, licht Bassam toe. ‘Maar ook het transportsysteem blijkt ingericht op een “mannelijk” ritme van ’s ochtends het huis uit en ’s avonds weer terug. Terwijl veel vrouwen gedurende de dag allerlei
activiteiten ondernemen. Denk aan kinderen naar school brengen, sporten, boodschappen doen, naar het werk gaan. Activiteiten die buiten die twee pieken plaatsvinden en meerdere tussenstops beslaan.’
Zeldzaamheid
Ze vertelt het tussen neus en lippen door, maar tijdens het schrijven van het boek ontving ze talloze haatberichten. Vooral van mannen die niet begrepen waar ze mee bezig was. Ze versleten haar voor gek en wilden niets weten van enig verband tussen stedenbouw en feminisme. Het is
tekenend voor het gedateerde beeld dat mannen hebben van feminisme, meent Bassam. ‘Ze maken er een karikatuur van, alsof het mij gaat om het uittrekken van onze kleren om naakt op straat te dansen.’
De negatieve reacties illustreren hoe diep het probleem zit. ‘Het is een erfenis die je niet zomaar opzijzet. Let wel, nog niet zo lang geleden waren vrouwen in de publieke ruimte een zeldzaamheid. Vrouwen waren vooral thuis, en de vrouwen die je wel op straat zag waren of aan het bedelen, of sekswerkers, of zwaaiden hun mannen uit vanaf de kade. Ook in de gegoede klasse bleven vrouwen
nagenoeg onzichtbaar. Ze trouwden vanuit de huizen van hun vaders, zetten de rolpatronen bij hun echtgenoten voort en maakten voor een winkelbezoek gebruik van speciale koetsen.’
Het is volgens Bassam dan ook niet vreemd dat technologische vondsten en ontwerpen, zoals auto’s en interieurinrichtingen, uitgingen van het mannelijk lichaam. ‘Die manieren van denken en doen zitten nog steeds in ons, ook vanwege een lastig te doorbreken patriarchaat.
Waarom zijn er anders nog steeds salarisverschillen? Waarom worden vrouwen nog steeds geobjectiveerd? Waarom worden jonge meiden nog altijd lastiggevallen op straat?’
Door haar internationale blik – ze is kind van een Franse moeder en Egyptische vader, groeide op in Dubai en woonde in meerdere wereldsteden – heeft Bassam voldoende vergelijkingsmateriaal. De zelfgenoegzaamheid in Nederland is opvallend. Alsof het probleem niet bestaat, alsof alles hier koek en ei is. ‘Ik heb in Spanje gewoond en daar nemen gemeenten deze vraagstukken een stuk
serieuzer. Waarom word ik in Amsterdam regelmatig lastiggevallen en nagekeken, en in Valencia niet?’ Die zelfgenoegzaamheid werkt door in het vakgebied. ‘In zowel de praktijk als in de academische wereld denkt men dat met het aanstellen van meer vrouwen het probleem vanzelf weggaat.’ Bassam zucht: ‘Dat is niet zo. Het gaat om het implementeren en institutionaliseren van hele andere manieren van denken en werken – en dat moet door de hele vakgemeenschap gedaan worden, door mannen én vrouwen.’
Goede stedenbouw
Het hanteren van een vrouwelijk perspectief is een ontwerpbenadering, stelt Bassam, een attitude, die ook door mannen kan worden aangenomen. ‘Dat begint bij hoe het planproces is georganiseerd. Hoe betrek je vrouwen, welke middelen zet je in? Dus niet alleen naar infoavon-
den gaan, maar ook een wandeling door een park maken en buurtevenementen bezoeken. Laat zien dat je als ontwerper geïnteresseerd bent in de achtergronden, in wat vrouwen ervaren en nodig hebben.’ Daarnaast is het van belang dat vrouwelijke waarden op de ontwerptafel belan-
den. En die zijn gangbaarder dan veel mensen denken, zegt ze: sociaal, duurzaam, groen, gezond, rechtvaardig. Kortom, waarden die we al snel onder ‘goede stedenbouw’ scharen. Maar ook waarden die in het commerciële en politieke geweld van stedelijke gebiedsontwikkeling het onderspit delven.
Met haar bureau The Gendered City werkt Bassam aan een handboek over hoe het vrouwelijk perspectief voet aan de grond krijgt. Het is een soort navigatiesysteem, legt ze uit. Daarin
lees je hoe je vrouwen betrekt en welke methoden en strategieën voorhanden zijn om vrouwelijke waarden in te brengen. ‘We richten ons ook op ontwikkelaars en bouwers. Als wij stellen dat de vrouwvriendelijke stad een antikapitalistische stad is, moet je wel handvatten bieden over hoe
je vrouwelijke waarden verenigt met een branche die bij uitstek kapitalistisch gedreven is.’
Geen camera's
Het internationale netwerk dat ze met haar platform heeft opgebouwd gebruikt ze inmiddels voor het uitwisselen van kennis, bijvoorbeeld wanneer het aanbrengen van verlichting wel werkt en wanneer niet. De nadruk in haar werk ligt op het monitoren van zowel de problemen als de denkbare oplossingen. ‘Ik zou in Amsterdam graag een pilotproject doen. Om goed in kaart te brengen waarom het op plekken misgaat, en daarna mogelijke ingrepen te testen op hun effect.’ Vanuit die optiek ontwikkelde ze met steun van het Spaanse Crearqció en de Europese Unie het handboek Femgreen. Dit helpt gemeenten om inzicht te krijgen in welke park- en groenstruc-
turen vrouwen kwetsbaar maken, en welke maatregelen dat tegengaan. De meeste oplossingen liggen voor de hand. 'We hoeven echt niet het wiel opnieuw uit te vinden, en het hoeft al helemaal niet veel geld te kosten.
Het kan al gaan om het verplaatsen van een prullenbak of het verbreden van een stoep', legt Bassam uit. ‘Over het algemeen gaat het om de bekende ontwerpprincipes die een stad prettig maken, zoals nabijheid van voorzieningen, condities voor sociale interactie, het hebben van vrij zicht, en open gevels zodat natuurlijke surveillance mogelijk is – en je wellicht geen camera’s nodig hebt.’ Alle kennis die ze opdoet stopt ze in een zogenoemde gendercity index. ‘Het is mijn bijbel waarmee ik steden beoordeel op beloopbaarheid, veiligheid, openbaar vervoer. Als steden in die index laag scoren, kan het helpen om ogen te openen.’
Oude professoren
Op de Amsterdamse Academie van Bouwkunst organiseerde ze een ontwerpstudio over feminist spatial design. Studenten gingen in de Kolenkitbuurt aan de slag met vrouwvriendelijke principes. ‘De studenten waren verrast hoeveel impact je kan hebben met kleine ingrepen – zoals het veraangenamen van een fietsenstalling, of het toegankelijker maken van een bushalte. Ze zijn gewend om te denken in termen van grand designs, terwijl feministische stedenbouw draait om kleine ingrepen die het dagelijks leven prettig maken.’
Ze betrok bureau Stipo, dat veel ervaring heeft met cocreatie en placemaking, om de jonge ontwerpers te leren hoe ze tot een buurt komen die vrouwen meer te bieden heeft. ‘Iemand bedacht een plek voor een wekelijkse vrouwenmarkt, waar bewoonsters zonder baan zich kunnen manifesteren met zelfgemaakte producten. Een ander kwam met een speelplaats waar meerdere generaties samenkomen. Dat zijn geen anonieme zones, het zijn plekken waar mannen zich gedragen.’
Hoe enthousiast ook, Bassam is van mening dat binnen het architectuur- en stedenbouwonderwijs nog veel moet veranderen. En dat komt door een latent aanwezig seksisme. ‘Ik merk het aan hoe mannen naar me luisteren, hoe ze me aanspreken. Dat ze denken dat ik de sociale media doe, dat ze denken dat mijn mannelijke stagiaire mijn baas is.’ Ze besluit: ‘Als we nieuwe generaties een
vrouwelijk perspectief mee willen geven, moeten oude professoren een stap opzij doen. Daarmee zeg ik niet dat hun denkbeelden of methodes fout zijn, maar om het vak te vernieuwen en verder te brengen moet ruimte geboden worden aan andere personen. Alleen zo krijgen andere theorieën en zienswijzen een kans, alleen zo kan het vakgebied werkelijk feministisch worden.’
Dit artikel verscheen in ons maartnummer.
