In het maartnummer

DOSSIER OVER HET VROUWELIJK PERSPECTIEF IN HET STADSONTWERP

Het is een onderwerp dat door de moord op Lisa afgelopen zomer weer volop in het spotlicht is komen te staan: de gevoelens van onveiligheid die vrouwen ervaren als ze zich in de publieke ruimte begeven. Voor velen was de maat vol en er klinkt sindsdien een luide roep om in openbareruimteplannen eindelijk recht te doen aan hoe vrouwen de stad met name ’s avonds en ’s nachts beleven. Tegengeluiden waren er ook. Sommigen beweerden dat onveiligheid geen kwestie is van stadsontwerp, maar een maatschappelijk probleem van jongens en mannen die zich niet kunnen gedragen.

 

Dat laatste is absoluut waar, maar dat neemt niet weg dat binnen de architectuur en stedenbouw wel degelijk een wereld te winnen valt. Want, en dat maken onderzoeken en publicaties al jaren duidelijk, in de wijze waarop we steden plannen en ontwerpen delft het vrouwelijk perspectief nog te vaak het onderspit. Veelzeggend is het onderzoek van de Amerikaanse Brigham-Young University naar de oogbewegingen van mannen en vrouwen die in het donker door een straat lopen. Wat blijkt: vrouwen scannen de hele omgeving, terwijl mannen vooral voor zich uit kijken. De resultaten leggen een confronterende waarheid bloot. In de avond naar huis lopen is voor vrouwen wezenlijk anders dan voor mannen.

 

En dan is veiligheid slechts een aspect. De beroemde geograaf Leslie Kern, auteur van het in 2020 verschenen boek The Feminist City, zette recent in een opinieartikel in Nature haarfijn uiteen waarom wereldwijd stads- en wijkontwerpen onvoldoende inspelen op de behoeften, verlangens en ervaringen van vrouwen. Zo zijn straten, parken en pleinen voor vrouwen niet altijd even uitnodigend, laat staan dan ze comfortabel aanvoelen. Uit verschillende studies blijkt zelfs dat vrouwen gevoeliger zijn voor de kwaliteit en leesbaarheid van openbare plekken en groenstructuren. Voor jonge meiden is in stedelijke buitenruimtes vaak minder te doen dan voor hun mannelijke leeftijdgenoten. Daarnaast is het voor vrouwen lastiger om zich door de stad te verplaatsen, omdat hun reispatronen (korte tripjes, niet lineair, buiten de spits) niet rijmen met de lineaire op de spits gerichte mobiliteitssystemen. Kern gaat nog verder: door de wijze waarop we steden plannen en organiseren profiteren vrouwen niet van de voordelen die het leven in de stad hen op papier te bieden heeft.

 

Met een themadossier verkennen we waarom steden, wijken en stedelijke buitenruimtes nog altijd vrouwonvriendelijk zijn, en wat nodig is om het tij te keren. Daarbij hanteren we een brede blik. Dus ja, het veiligheidsaspect is een belangrijk aandachtspunt, maar het is onze bedoeling om in lijn met Leslie Kern te verkennen hoe het stadsleven in brede zin voor vrouwen en meiden aangenamer, veiliger, leuker en beter wordt.

 

Tegelijkertijd grijpen we dit dossier aan om een veelgehoorde veronderstelling te testen. Namelijk dat het hanteren van een vrouwelijk perspectief (voor alle duidelijkheid: mannen kunnen zich net zo goed van dit perspectief bedienen) nodig is om de grote maatschappelijke opgaven van deze tijd van antwoorden te voorzien. Door feminiene waarden – empathie, collectiviteit, verbinding, zorg, lange termijn – een plek te geven in de stedenbouwkundige praktijk en tegelijkertijd de dominantie van het mannelijk perspectief (een rationele en op efficiency gerichte ontwerppraktijk) te doorbreken, komen we als vanzelf tot stadswijken en leefomgevingen die voor veel meer (minderheids)groepen (ouderen, kinderen, migranten, LHBTIQ+) fijn, veilig, rechtvaardig, duurzaam en goed aanvoelen. Vrouwen zijn wat dat betreft de ‘otters’ van de stad – als het voor hen werkt is het voor iedereen goed.

 

Wat gaan we doen?

Via een interview met ‘feminist urbanist’ Nourhan Bassam leidden we het dossier in. Zij doet al zeven jaar onderzoek naar de relatie tussen feminisme en stedenbouw en probeert vanuit haar eigen praktijk (The Gendered City) vrouwelijke waarden een plek te geven in de totstandkoming van stedenbouwkundige plannen en gebiedsontwikkelingen. Met Bassam spreken we over de relevantie van het onderwerp, over waarom de dominantie van het mannelijk perspectief zo lastig te doorbreken is en over wat er binnen de ontwerpdisciplines nodig is om dit toch voor elkaar te krijgen. Daarnaast bespreken we alternatieven, zoals het vroegtijdig betrekken van vrouwen en meiden in het planproces en de institutionele verankering van het vrouwelijk perspectief in bijvoorbeeld het gemeentelijk ontwerp- en planningsbeleid.

 

Tijdens een reportage door Amsterdam-Oost gaan auteur Martine Bakker en fotograaf Aiste Rakauskaite met ontwerper Eva James op zoek naar hoe de ‘vrouwonvriendelijke stad’ zich uit. James is expert op dit vlak en al wandelend door de buurten Zeeburgereiland en Diemerbrug laat ze zien waar het misgaat en welke ingrepen nodig zijn om deze stadsbuurten voor vrouwen aangenamer, veiliger en bruikbaarder te maken.

 

Met twee verhalen geven we aandacht aan pogingen om het vrouwelijk perspectief daadwerkelijk in de praktijk te brengen. Ten eerste de Apeldoornse studie Plek voor meiden over hoe bij de inrichting en het beheer van de openbare ruimte de wensen van jonge vrouwen (13 tot 23 jaar) beter kunnen worden meegenomen. Initiatiefnemer en landschapsarchitect bij de gemeente Linda Hooijer is voornemens om de resultaten van dit onderzoek te vertalen naar handzame ontwerpprincipes die binnen de gemeentelijke werkwijze verankerd dienen te worden.

Ten tweede de pogingen van Carolien Ligtenberg – oprichter van het platform Sheiscoool – om het vrouwelijk perspectief als ontwerpbenadering in te zetten om in actuele gebiedsontwikkelingen tot duurzame, sociale, rechtvaardige, inclusieve en groene woonbuurten te komen. In enkele pilotprojecten die ze momenteel doet in Den Haag Zuidwest blijkt meer dan 80 procent van de deelnemende ontwerpers vrouw. Niet omdat op geslacht geselecteerd is, maar omdat vrouwelijke ontwerpers met voorstellen komen die de vernieuwing van Zuidwest in de gewenste richting sturen.

 

We maken korte portretten van  vrouwelijke stadmakers: landschapsarchitect en stadsbouwmeester Hanneke Kijne, stedenbouwkundige en lid van de Urbanistas Tenesha Caton, en hoogst waarschijnlijk Olga Wagenaar van Amvest. Hen vragen we of ze in het bedenken van plannen en stadsconcepten specifieke waarden nastreven, en of ze andere accenten leggen dan mannen?

 

In een beschouwend essay laat onderzoeker Setareh Noorani zien hoe door de jaren heen feministische denkbeelden het denken over stedenbouw hebben beïnvloed en hoe dit in het ideale geval kan leiden tot een andere manier van architectuur en stedenbouw bedrijven. Ze gaat onder andere in op de emancipatie-effectrapportage, een beleidsinitiatief uit de jaren 80 om het vrouwelijk perspectief te verankeren in de ruimtelijke ordening, maar gaandeweg een zachte dood is gestorven. Ook staat ze stil bij de tijdsgeest. Want hoewel de aandacht voor het onderwerp toeneemt, zorgen politieke en maatschappelijke tegenkrachten dat feministische ontwerpkennis en het vrouwelijk perspectief maar moeilijk voet aan de grond krijgen in hoe we steden plannen en ontwerpen.

 

Tot slot nemen we met korte verhalen een kijkje in het buitenland. Zoals in Leuven waar men werkt aan een ontwerptoolbox voor de vrouwvriendelijke stad. Of in Wenen waarin het vrouwelijk perspectief al heel lang onderdeel is van het gemeentelijke RO-beleid.

 

VERDER IN DIT NUMMER

Reportages over werken in het buitenland en de expositie Een Optimisch Rampenplan. Plus een groot interview met landschapskunstenaar Paul de Kort.

 

DE PROJECTEN

Redacteur Hester van Gent gaat op bezoek in de nieuwe wijk Happy Days in Zoetermeer, terwijl Marc Nolden afreist naar het nieuwe natuurgebied Melksteeg.

 

COLUMNS
Van  Sander de Knegt en Pieter Hoexum.

 

Het maartnummer is hier te bestellen.