Bij de jaarboekcommissie (1): stedelijke ensembles

De jaarboekcommissie op pad in Hilversums 'ensemble'. Foto Stijn Brakkee

 

De selectiecommissie koos 21 landschapsarchitectuur- en stedenbouwprojecten geselecteerd voor de jaarboekeditie van 2026. Wat valt op, welke thema’s zijn dominant, en hoe staan de vakgebieden ervoor? De komende maanden lichten we tot de boekpresentatie in december af en toe een tipje van de sluier op. Vandaag aflevering 1 over stedelijke ensembles. 

 

In de stapel met inzendingen zag de commissie opvallend veel herontwikkelingen van afgebakende terreinen. Denk aan spooremplacementen, kantoorparken, fabrieken en zorgterreinen. Daarbij ziet de commissie steeds dezelfde stedenbouwkundige typologie opduiken. Die laat zich nog het best omschrijven als een losse verkaveling van gestapelde woonblokken, die niet aan straten staan, maar aan autoluwe paden in het groen. Het is een duidelijke trend en het werpt de vraag op of deze manier van stedenbouw bedrijven tot kwaliteit leidt. Is het in die stadsbuurtjes fijn wonen? Biedt deze vorm van verdichting voldoende handvatten om opgaven in samenhang aan te pakken? Knapt de rest van de stad er ook van op? 

 

In het gesprek hierover formuleerde de jury – met naast voorzitter Yttje Feddes landschapsarchitect Marie Laure Hoedemakers, stedenbouwkundigen Mattijs van Ruijven en Tom van Tuijn, en architectuurhistoricus Vita Teunissen – enkele beoordelingscriteria om te bepalen of zo’n ‘stedelijk ensemble’ succesvol is. Ten eerste moet de indruk van een gated community voorkomen worden. Het geheel moet ingebed zijn in de omliggende stad en appelleren aan het DNA van de plek. Ten tweede is de maat van de openbare ruimte cruciaal. Het landschap dat tussen de bebouwing door slingert moet immers plek bieden aan allerlei opgaven, zoals waterberging, natuurontwikkeling en mobiliteit. Daarnaast moet het in zijn veelzijdigheid – stegen, parkjes, paden, pleinen, plantsoenen – sociale ontmoeting in de hand werken en de gemeenschapszin stimuleren. Dit raakt aan een derde aspect: de overgangen van privé naar openbaar. Beschikt de vakwereld over het juiste repertoire om te ontwerpen aan zones waar grote publieke ruimtes dicht bij het privédomein komen – denk aan entrees, ramen, balkons en gevels. Tot slot is de omgang vet de auto allesbepalend. Parkeren op straat is uit den boze, en veel ensembles beschikken dan ook over inpandige of ondergrondse parkeervoorzieningen, zoals de befaamde ‘mobiliteitshub’. 

 

Een speciale categorie binnen dit thema zijn stationsomgevingen – ze tonen immers eenzelfde trend qua invulling. De commissie vindt het van belang dat het niet alleen draait om het toevoegen van zoveel mogelijk woningen – zodat veel mensen bij het ov wonen –, maar dat zo’n stationsomgeving ook fungeert als hefboom voor de vernieuwing van omliggende wijken.